eigentijds-neg-1.jpg

HET BUITENGOED ALS BOUWSTEEN VOOR LANDSCHAPPELIJKE OPGAVEN

De kwaliteit van het landschap is niet eenvoudig in beleid te vatten. Door de veelheid aan transitievraagstukken - energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit, circulaire economie, economisch vestigingsklimaat, infrastructuur en woon- en leefomgeving - loopt het landschap het gevaar een vergaarbak te worden voor alle nieuwe ruimtelijke opgaven, waarmee de opeenstapeling van verschillende programma’s de bestaande kwaliteiten van het landschap tenietdoet, zonder dat er nieuwe kwaliteiten voor in de plaats komen. Met de onzekerheid als gevolg van de komst van de nieuwe omgevingswet, door een gebrek aan handvaten bij gemeentes en provincies, en door een gebrek aan een eenduidig vocabulaire over wat landschappelijke kwaliteit behelst, kan de markt het voortouw krijgen in de transities van het landschap. En daarmee kunnen publieke doelen zoals ruimtelijke kwaliteit en klimaatadaptatie van het landschap het onderspit delven. Daarom is het belangrijk dat ontwerpers een rol hebben in het onderzoek van de nieuwe opgaven, en het ruimtelijk verankeren van publieke doelen daarbinnen. De vraag die zich aandient is: hoe kunnen abstracte, grote landschappelijke opgaven draagvlak krijgen en in gang worden gezet, met behoud of versterking van ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit?


In het onlangs gepubliceerde rapport Zorg voor landschap, naar een landschapsinclusief omgevingsbeleid wordt aandacht gevraagd voor het landschap, omdat de aanstaande transities fundamenteel zijn en de ruimtelijke opgaven groot. In de komende 30 jaar zullen nieuwe ruimteclaims voor woningbouw, infrastructuur, nieuwe bedrijven, energietransitie, klimaatadaptatie en natuurontwikkeling grote gevolgen hebben voor het landschap. Welke consequenties dat precies zijn is vooralsnog onduidelijk. Het rapport adviseert een zorgvuldige afweging van belangen en functies, van landschapsbehoud versus landschapsontwikkeling of transformatie. De zorg om het landschap wordt breed gedragen: zorg over het verdwijnen van landschapselementen, openheid, vergezichten, bomen, vogels en insecten, én over alle nieuwe toevoegingen aan het landschap, zoals windmolens, zonneparken en distributiecentra.[1]


Deze zorg is echter onvoldoende geadresseerd in het huidige omgevingsbeleid om de ruimtelijke opgaven in goed afgestemde en maatschappelijk breed gedragen banen te leiden. Wenselijk is dat het landschap met kennis, verbeelding en betrokkenheid bejegend wordt, en burgers, ondernemers en maatschappelijke organisaties bij deze transitie betrokken worden.


Nieuwe Landgoederen

Om abstracte en grote landschappelijke opgaven draagvlak te verschaffen en in gang te zetten zijn vanzelfsprekend acties nodig op verschillende schaal- en abstractieniveaus. Eén belangrijke uitdaging is om de noodzakelijke transformatie van ons landschap toegankelijk en ervaarbaar te maken, een gezicht te geven. Grootscheepse transformaties kunnen alleen mogelijk worden gemaakt als deze maatschappelijk worden gedragen, door de gebruikers van dit landschap: bewoners, boeren, recreanten. ‘Als een landschap geliefd is bij de bevolking, is deze betrokkenheid een sterkere kracht dan alle wetten, regels en overheidsbemoeienis bij elkaar.’[2]


In de complexiteit van het hedendaagse landschap en zijn processen kan een overzichtelijke eenheid waar de bezoeker zich eenvoudig toe kan verhouden, dienen als lens, als ingang om het landschap en zijn noodzakelijke transities ervaarbaar en toegankelijk te maken. Dit is bij uitstek een opgave voor het landschapsarchitectonisch ontwerp. Door ons in dit onderzoek te concentreren op een kleine landschappelijke eenheid en deze tegen het licht te houden, streven we ernaar zicht te krijgen op de rol van ontwerp bij transitievraagstukken in het landschap. De transitie stelt ons voor de vraag hoe mensen bewust kunnen worden gemaakt van vraagstukken die de schaal van de menselijke ervaring overstijgen.


Een dergelijke compacte landschappelijke eenheid, die zich op de schaal van de direct menselijke ervaring afspeelt en als zodanig inzicht kan geven in wat er in de grotere omgeving gebeurt, en waarbij ontwerpkracht een grote rol speelt, is het landgoed. Al eerder is een poging gedaan deze landschappelijke bouwsteen nieuw leven in te blazen. In de jaren ’90 werd deze onder de noemer ‘het Nieuwe Landgoed’ ingezet als beleidsinstrument om de kwaliteit van het bestaande landschap te accentueren en te vergroten. Als zodanig was dit een markant voorbeeld van een instrument dat rekent op ontwerpkracht bij het realiseren van maatschappelijke opgaven in het buitengebied. Eerdere analyses tonen echter aan dat in de praktijk de landschapsarchitectonische kwaliteit van deze Nieuwe Landgoederen wisselend is. Hierbij spelen een aantal, aan elkaar gerelateerde variabelen een rol: de beleidscontext, de opdrachtgever, de formulering van de opgave en de ontwerpkracht die is ingezet. Desalniettemin, de geconstateerde achterblijvende kwaliteit van de gerealiseerde Nieuwe Landgoederen wil niet zeggen dat het als beleidsinstrument heeft afgedaan. Wel blijkt hieruit dat de nadruk op de kwantitatieve aspecten in de beleidsdefinities de kwalitatieve aspecten aan het oog heeft onttrokken.


De hoofdvraag van dit onderzoek is dus: hoe kan het landgoed worden geherdefinieerd zodat het als beleidsinstrument een rol kan spelen in de landschappelijke transitievraagstukken? Is er een alternatief mogelijk op de oorspronkelijke vraag die de nadelen van de eerder gekozen aanpak weet te vermijden? En welke kenmerken zou een dergelijk alternatief moeten hebben om te kunnen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het landschap?


Lees hier het rapport met de bevindingen en antwoorden op deze vragen.

[1] PBL, Zorg voor landschap, naar een landschapsinclusief omgevingsbeleid (2019), 8.

[2] Hans Teerds, Johan van der Zwart, Levend landschap, manifest voor stad en land (Amsterdam: SUN, 2012), 60.

 

TEAM

DR.IR. INGE BOBBINK

onderzoeker TU Delft

DR.IR. SASKIA DE WIT

onderzoeker TU Delft